Duurzaamheidstoets

Elk ingediend concept krijgt een duurzaamheidsscore. Die becijfert in hoeverre het concept rekening houdt met milieu, gezondheid, leefbaarheid, economie, biodiversiteit. Die eerste screening gebeurt door het Agentschap voor Natuur en Bos, bijgestaan door een gespecialiseerd team van consultants. De score wordt gepubliceerd als je idee online gaat.

Waarom een duurzaamheidstoets?

Duurzaamheid betekent op zo’n manier met de aarde omgaan dat ook onze kinderen en kleinkinderen er nog van kunnen genieten. In deze wedstrijd zoeken we duurzame concepten, die van Vlaanderen een duurzame leefplek maken. Ecologische, sociale en economische belangen zijn daarbij zoveel mogelijk in evenwicht.

Toelichting methodiek duurzaamheidstoets

De duurzaamheidstoets gaat uit van het ‘Triple P’-principe: People (menselijke en sociale aspecten), Planet (milieuaspecten) en Prosperity (economische aspecten en welvaart). Een duurzaam project is een project dat een meerwaarde kan creëren voor People, Planet en Prosperity. Die elementen moeten harmonieus gecombineerd worden en elkaar versterken. Vijf thema’s worden getoetst:

Thema's
Per thema onderscheiden we subthema’s waaraan scores worden toegekend:
Gezondheid: welzijn, beweging, minder hinder, materialen
Leefbaarheid: sociale samenhang, recreatie, aandacht voor kinderen, ouderen en mensen met fysieke of mentale beperkingen, omgevingskwaliteit
Milieu: klimaatmitigatie, klimaatadaptatie, lucht, geluid, water, materialen (levenscyclusanalyse of LCA)
Biodiversiteit: lokale fauna en flora, ontwikkeling leefgebieden/stapstenen/corridors, draagvlakvorming
Economie: productie, toerisme, wonen, werkgelegenheid, opleiding, investeringen

De toetsing wordt pragmatisch aangepakt op basis van ‘expertjudgement’ (geen literatuuronderzoek etc.). Dat houdt bijvoorbeeld in dat geen LCA-berekening uitgevoerd zal worden. Bij de beoordeling wordt wel rekening gehouden met alle ‘levensfasen’ van een bepaald materiaal.
Per subcategorie wordt een score toegekend van 0 tot 3. Er worden enkel positieve scores toegekend.

Scores

0: geen impact of negatieve impact
1: kleine positieve impact
2: grote positieve impact
3: zeer grote positieve impact (uitzonderlijk)

De eindscore voor de drie P’s wordt bepaald door de scores van de verschillende thema’s en hun subthema’s op te tellen en nadien te herschalen.

Uitleg bij de subthema’s:

Welzijn: heeft betrekking op de levenskwaliteit, de toestand waarbij men in geestelijk en materieel opzicht voorspoedig en gelukkig is, waarbij men in goede gezondheid verkeert

Beweging: lichaamsbeweging, kan bijvoorbeeld slaan op het stimuleren van verplaatsingen met de fiets of te voet, in plaats van met de auto

Minder hinder: geluidshinder, geurhinder, lichthinder, visuele hinder en andere milieuhinder worden beperkt

Materialen: hier opgevat als stoffen waarmee men in contact komt en die effecten kunnen hebben op de gezondheid en het welzijn

Sociale samenhang: samenhang tussen mensen in de maatschappij, een gemeenschap, betrokkenheid

Recreatie: mogelijkheden creëren voor vrijetijdsbesteding

Aandacht voor kinderen, ouderen en mensen met fysieke of mentale beperkingen

Omgevingskwaliteit: waardering die mensen op een bepaald moment aan een gebied toekennen, geeft aan hoe mensen de omgeving ervaren, en wordt bepaald door een geheel van objectieve en subjectieve factoren

Klimaatmitigatie: maatregelen die de emissie van broeikasgassen terugdringen en zorgen voor CO2-afvang en opslag (bijvoorbeeld door bebossing)

Klimaatadaptatie: maatregelen die de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering bevorderen, zodat men beter bestand is tegen temperatuurstijging, wateroverlast, extreme hitte en droogte, hevige regenbuien …

Lucht: maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren

Geluid: maatregelen die geluid reduceren

Water: hieronder vallen niet alleen maatregelen die de waterkwaliteit verbeteren, maar ook alle maatregelen die bijdragen tot integraal waterbeheer

Materialen: hier opgevat als de totale milieubelasting van een product tijdens zijn hele levenscyclus (grondstoffen, productie, transport, gebruik en afvalverwerking), cf. levenscyclusanalyse (LCA). Hieronder vallen ideeën die kunnen leiden tot minder of een ander, duurzamer materiaalgebruik. Ook het stimuleren van recyclage en hergebruik wordt hierbij gerekend (‘cradle to cradle’ (1) ).

Lokale fauna en flora: maatregelen die de streekeigen fauna en flora ten goede komen, bijvoorbeeld door het verbeteren van de kwaliteit van bestaande leefgebieden of het creëren van extra voedselbronnen

Ontwikkeling leefgebieden/stapstenen/corridors: de leefgebieden van plant- en diersoorten zijn in Vlaanderen vaak opgesplitst in kleinere, geïsoleerde fragmenten die gescheiden worden door barrières. Dieren en planten kunnen zich van het ene naar het andere geschikte leefgebied verplaatsen via stapstenen en corridors. Corridors zijn lijnvormige landschapselementen; met stapstenen worden kleine, vlakvormige landschapselementen bedoeld.

Draagvlakvorming: de mate waarin een idee bijdraagt tot het creëren van een draagvlak voor biodiversiteit, fauna en flora, natuurontwikkeling … Een draagvlak creëren impliceert dat het ecologische gedachtegoed ondersteund wordt door een grotere groep mensen dan initieel het geval was, meer personen maken op een positieve manier kennis met de natuur, biodiversiteit … en staan achter het initiatief.

Productie: hiermee bedoelt men specifiek de productie van biomassa (cf. landbouw)

Toerisme: ideeën kunnen een gebied aantrekkelijker en interessanter maken, waardoor bezoekers worden aangetrokken

Wonen: ideeën kunnen bijdragen tot een hogere woonkwaliteit, wat de waarde van woonzones kan verhogen

Werkgelegenheid: ideeën die bijdragen tot het verhogen van de werkgelegenheid (waaronder ook indirecte sectoren zoals horeca). Ook het verbeteren van de werkomstandigheden (o.a. door het creëren van een aangenamere werksfeer) valt hieronder.

Opleiding: in hoeverre dragen ideeën bij tot het creëren van een leeromgeving (kennisoverdracht), tot toename van kennis en expertise?

Investeringen: in hoeverre dragen ideeën bij tot duurzame, kostenbesparende, eco-efficiënte (2) en/of eco-effectieve (3) investeringen op korte en lange termijn?

Verklaring van enkele technische termen

(1) ‘cradle to cradle’: systeem waarin materiaal eindeloos wordt gerecycleerd. Men gaat uit van het principe dat afval voedsel is. Zo worden alle gebruikte materialen na hun leven in het ene product nuttig ingezet in een ander product zonder kwaliteitsverlies en met hergebruik van alle restproducten, ofwel zijn de restproducten milieuneutraal. De kringloop is dan gesloten.

(2) eco-efficiënte investeringen: investeringen waarbij de input van materialen, energie en water wordt verminderd. Die investeringen leiden tot een lagere milieu-impact tijdens de hele levenscyclus (definitie uit Sustainable Innovation System Toolkit OVAM).

(3) eco-effectieve investeringen: hierbij wordt uitgegaan van het maximaliseren van de positieve milieu-impact (in plaats van het verminderen van de negatieve milieu-impact bij eco-efficiëntie). Het gaat om een nieuwe strategische visie voor het ontwerp van industriële processen, zodat die positief bijdragen tot het ecosysteem. Het begrip ‘effectiviteit’ heeft in tegenstelling tot het begrip ‘efficiëntie’ geen betrekking op het proces zelf, maar op de uitkomst ervan.