aa -

Groene hoogspanningsmasten

Bedenker: Natuurpunt Rupelstreek

Waarom zouden we niet onder hoogspanningsmasten mini-natuurreservaatjes aanleggen? Bijvoorbeeld met wat inheemse struiken in hakhoutbeheer, een wildakkertje, wat struweel, een bloemrijk hooilandje … Zo krijgen de hoogspanningsmasten een mooie landschappelijke inkleding en kunnen ecologisch waardevolle zones ontstaan ter hoogte van de mastvoeten.

Dat idee zal worden uitgevoerd in samenwerking met Elia, de netbeheerder van het Belgische hoogspanningsnet. Het beheer kan nadien uitgevoerd worden door een sociale groenploeg, wildbeheereenheden en/of naburige landbouwers.

Groene-hoogspanningsmasten.png Enerzijds hebben de groenzones onder de hoogspanningsmasten waarde als leefgebied voor kleine fauna en flora; anderzijds kunnen de verschillende groenzones stapstenen vormen. De waarde van de groeninrichting hangt daarbij af van de soort en het gebiedstype (bijvoorbeeld agrarisch gebied in de Kempen).

De aanplant met struweel en struiken biedt insecten zoals solitaire/wilde bijen, vlinders en kevers in de zomer een nest- en rustplaats en in de koude maanden een geschikte winterverblijfplaats.

Nectar- en stuifmeelproducerende planten, zoals in een bloemrijk hooiland, zijn een voedselbron voor tal van insecten (bijen, hommels, vlinders, zweefvliegen). Via bestuiving leveren insecten – vooral honingbijen en hommels – essentiële ecosysteemdiensten bij de teelt van hard en zacht fruit (zoals appels, peren, kersen en aardbeien) en kasgroenten (zoals tomaten, aubergines en paprika’s) en bij de zaadteelt (zoals kool, sla, peen en ui). De hoogspanningsmasten nabij agrarisch gebied of moestuinen kunnen schuilplaatsen zijn voor die insecten. Met een doordachte plantenkeuze kunnen die gebiedjes ook een voedselbron vormen door het jaar heen.

De oppervlakte is weliswaar beperkt en de stapstenen kunnen geen echte corridor vormen. Toch kunnen die ‘kleine landschapselementen’ zeker relevant zijn in landschappen die vooral bestaan uit monoculturen. Zo’n landschapselement kan een stapsteen vormen voor soorten zoals vlinders en weide- en akkervogels. Ook kan het bescherming bieden voor grotere fauna zoals vossen of reeën.

De omgeving wint zo aan diversiteit. Als men kiest voor inheemse, streekeigen plantensoorten, vergroot ook de floristische rijkdom van de omgeving. De zones die vrijgehouden moeten worden voor het onderhoud van de masten (ter hoogte van de mastvoeten), kunnen als bloemrijk hooiland ingevuld worden. Zo kan het minireservaat zelf een divers geheel vormen. Een restzone die weinig functies kan opnemen, wordt zo toch nuttig ingezet.

Tot slot kan de aanplant van struiken en struweel ook helpen om afstromend regenwater in de bodem te laten dringen (heel lokaal) en om overstromingsgevaar terug te dringen.

De methodiek van deze duurzaamheidstoets wordt hier verder toegelicht.