aa -

Minder gazon

Bedenker: Hans Verboven

Stedelijk en gemeentelijk groen bestaat vandaag de dag vooral uit gazon dat wekelijks tot tweewekelijks gemaaid wordt. Daardoor kunnen de planten zelden tot bloei komen. Veel van die gazonnetjes zijn bovendien weinig functioneel: ze worden niet gebruikt voor recreatie of sport. Daardoor zijn ze vaak niet meer dan kijkgroen.

Het omtoveren van die weinig gebruikte gazonnetjes tot bloemenweiden of extensief beheerde graslandjes zou leiden tot veel meer bloemen, bijen en ook zaden. Die vormen op hun beurt voedsel voor allerlei insecten, zoogdieren, vogels …

Bloemenweide_gemeente.pngDit idee krijgt ongeveer dezelfde duurzaamheidsbeoordeling als het idee van bloemenweiden langs de straten.

Nectar- en stuifmeelproducerende planten zijn de voedselbron voor tal van insecten: bijen, hommels, vlinders, zweefvliegen … Als men voor inheemse, streekeigen plantensoorten kiest, zal ook de floristische rijkdom van aanpalende groenzones toenemen (mogelijkheden tot spontane verspreiding, bijvoorbeeld uitzaai). Als de oppervlakte van de ingerichte zone groot genoeg is (meer dan enkele m²), kan die een (klein) leefgebied vormen voor diersoorten (vooral insecten) en planten. Een bloemenweide of grasland kan, afhankelijk van de lokale omstandigheden, ook een stapsteen zijn binnen een netwerk van vergelijkbaar ingerichte zones. Een grotere insectenrijkdom is bovendien interessant als extra voedselbron voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen.

De gemeente kan overwegen om ook insectenhotels te plaatsen op regelmatige afstanden. Een insectenhotel biedt insecten zoals solitaire/wilde bijen, vlinders en kevers in de zomer een nest- en rustplaats en in de koude maanden een geschikte winterverblijfplaats. Door te zorgen voor bestuiving leveren insecten – vooral honingbijen en hommels – essentiële ecosysteemdiensten bij de teelt van hard en zacht fruit (zoals appels, peren, kersen, aardbeien), kasgroenten (bijvoorbeeld tomaten, aubergine en paprika) en bij de zaadteelt (bijvoorbeeld kool, sla en ui).

Bloemenweiden zien er mooi uit, vooral in de lente en de zomer. Zeker als ze bezocht worden door tal van insecten zoals vlinders en zoemende bijen en hommels. Dat verhoogt de omgevingskwaliteit en zorgt ook voor een aangenamere leefomgeving voor de omwonenden. Met een infobord kan men de buurtbewoners en passanten informeren over de bloemenweide en het nut ervan. Zo creëert men een draagvlak voor die natuurlijke, insectenvriendelijke inrichting. Wellicht moeten sommige bewoners wat wennen aan de meer natuurlijke en ‘wildere’ aanblik van die groenvorm.

Insecten zoals bijen zijn gebaat bij structuurvariatie in hun leefgebied. Naast de bloemenweide kunnen ook de bloesems van inheemse struiken interessant zijn voor bijen, hommels enzovoort. Voorbeelden hiervan zijn wilg (bloeit vroeg in het voorjaar!), meidoorn, sleedoorn, lijsterbes, hondsroos ... Die houtige soorten wortelen immers dieper dan de kruidachtige planten van de bloemenweide. Die zouden een plaats kunnen krijgen in grotere groenzones. Het is ook belangrijk dat er bloeiende planten zijn tijdens het volledige groeiseizoen. De groenzones kunnen ook voorzien worden van bolgewassen; zo kan men het bloeiseizoen vroeger op het jaar laten starten met onder meer krokussen. Belangrijk is dat een inheems bijenbloemenzaadmengsel wordt gebruikt voor de bloemenweide.

Niet alle gazons voldoen aan de randvoorwaarden voor dit idee. Er moet een minimale oppervlakte grond beschikbaar zijn voor de aanleg van een bloemenweide. De effectiviteit van de bloemenweiden zal ook afhangen van andere groenvormen in de omgeving. Daarnaast is de oriëntatie van belang, want een bloemenweide heeft nood aan zon voor een goed resultaat.

Andere positieve effecten zijn lagere onderhoudskosten door extensief maaibeheer en een energiebesparing, omdat er minder gemotoriseerd gemaaid zal worden. Ten slotte is de impact sterk afhankelijk van de situatie in elke gemeente, namelijk de oppervlaktes, inplanting en versnippering van de groenzones die al dan niet als gazon ingericht zijn.

De methodiek van deze duurzaamheidstoets wordt hier verder toegelicht.